Octrooi op (AI)simulaties: de digitale wereld als technische wereld
Deze bijdrage over de octrooieerbaarheid van simulaties en AI verscheen op 23 maart 2021 op De Jurist.
De ontwikkeling van software voor (AI-gerelateerde)computersimulaties gaat hard. Simulaties kunnen worden gebruikt om allerhande scenario's in de virtuele wereld te laten plaatsvinden. In de huidige omstandigheden van de COVID-19 crisis, bewijzen deze simulaties te meer hun waarde, aangezien fysieke tests en testopstellingen niet altijd haalbaar of wenselijk zijn.
Vaak wordt gedacht dat voor software geen octrooi kan worden verkregen. Deze opvatting is onjuist. Sterker nog: "in computer geïmplementeerde uitvindingen" is tegenwoordig een van de belangrijkste categorieën van uitvindingen waar octrooi voor wordt aangevraagd. Software kan het voorwerp van een octrooi zijn als er sprake is van een technisch effect. Het hoogste rechtsorgaan van het Europees Octrooibureau, de Grote Kamer van Beroep, heeft recent op 10 maart 2021 in haar beslissing met het nummer G 1/19 bevestigd dat deze regel in het algemeen geldt voor de vraag of een uitvinding het onderwerp kan zijn van een octrooi en, meer in het bijzonder, voor uitvindingen die zien op computersimulaties.
De octrooieerbaarheid van simulaties en AI: een vraag van techniek
In G 1/19 ging de Grote Kamer van Beroep in op de vraag of er sprake was van een technisch effect in het kader van de aanvraag van een octrooi op een computersimulatie. De uitvinding was een methode om de beweging van een voetganger door een druk gebouw met andere voetgangers en obstakels te (via een computer) te simuleren.
De Grote Kamer sloot met haar overwegingen aan bij haar eerdere oordeel in de COMVIK-zaak (T 641/00). Zij oordeelde dat sprake is van een technisch effect bij uitvindingen geïmplementeerd in computers als het effect verder gaat dan de normale interacties die plaatsvinden binnen de computer waarop de simulatie is geïmplementeerd. Voorbeelden van zo'n technisch effect zijn een effect op de wijze waarop de computer als apparaat werkt en/of invloed van de uitvinding op input/output. Niet relevant is wát er exact wordt gesimuleerd (zoals het niet-technische wandelen van een voetganger).
De zaak is nu door de Grote Kamer terugverwezen naar de Technische Kamer van Beroep om te oordelen of er sprake is van inventiviteit.
Implicaties voor de toekomst (van AI)?
Eerder werd gedacht dat voor verschillende typen in computer geïmplementeerde uitvindingen wellicht verschillende regels zouden gelden. Met haar recente oordeel met betrekking tot computersimulaties lijkt de Grote Kamer te impliceren dat het technisch karakter van (de elementen van) alle computer geïmplementeerde uitvindingen gelijk beoordeeld moet worden. Namelijk, volgens de maatstaven voor de beoordeling van het technische karakter als gegeven in de COMVIK-zaak.
Dit lijkt tot gevolg te hebben dat bijvoorbeeld ook uitvindingen met betrekking tot AI-systemen en machine learning niet bij voorbaat zijn uitgesloten, maar wel degelijk onderwerp van een octrooi kunnen zijn. Aangezien de octrooieerbaarheid van uitvindingen de commercialisatie en winstgevendheid van dergelijke uitvindingen sterkt beïnvloedt, is dit van grote praktische waarde. Met haar beslissing in G 1/19 Grote Kamer van Beroep een belangrijke stap in de richting meer voorspelbaarheid met betrekking tot de mogelijkheid van het verkrijgen van softwareoctrooien op uiteenlopende terreinen.
.jpg?crop=300,495&format=webply&auto=webp)





.jpg?crop=300,495&format=webply&auto=webp)











