1 september 2020: Invoering indicatietarieven in octrooizaken
Sinds 1 september 2020 gelden door de Rechtspraak ingevoerde indicatietarieven voor octrooizaken. Wat verandert er met de invoering van deze indicatietarieven?
Sinds 1 september 2020 gelden door de Rechtspraak ingevoerde indicatietarieven voor octrooizaken. Wat verandert er met de invoering van deze indicatietarieven? In feite gelden deze als een maximering van het bedrag dat de in het gelijkgestelde partij kan terugvorderen van de verliezer. Tot voor kort gold in octrooizaken dat de verliezende partij werd veroordeeld in de ‘redelijke en evenredige’ proceskosten en andere kosten, tenzij de billijkheid zich daartegen verzette. Dat kwam er in de praktijk op neer dat in octrooizaken alle proceskosten voor vergoeding in aanmerking kwamen, wat ertoe leidde dat (in ieder geval in vergelijking met andere IE-zaken) vaak relatief hoge bedragen aan proceskostenvergoeding werden toegewezen. Daarbij ging het doorgaans om bedragen met vijf nullen en soms zelfs aan bedragen richting een miljoen (Rb. Den Haag 6 juni 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:6542 (Nikon/ASML)). Let wel; dat zijn voorbeelden van de bedragen zoals die door de rechter daadwerkelijk zijn toegewezen. De door partijen in andere zaken gevorderde bedragen lagen vaak nog substantieel hoger.
In algemene zin geldt dat indicatietarieven voor zaken die betrekking hebben intellectuele eigendomsrechten (“IE-rechten”) niet nieuw zijn. Tot dusverre waren octrooizaken daar echter van uitgesloten, maar aan die uitzonderingssituatie wordt door de nieuwe regeling nu een einde gemaakt. De nieuwe indicatietarieven voor octrooizaken komen niet geheel als een verrassing: er was al langere tijd discussie over de hoogte van de proceskostenveroordelingen, en in de regeling inzake de per 1 april 2017 van kracht zijnde indicatietarieven in IE-zaken werd reeds vermeld dat voor octrooizaken afzonderlijke tarieven zouden worden bepaald. Dat is nu dan ook daadwerkelijk gebeurd.
De door de Rechtspraak vastgestelde indicatietarieven zijn ingedeeld naar de volgende categorieën subgroepen:
Factoren die blijkens het Besluit van de Rechtspraak relevant zijn bij het kwalificeren van een zaak zijn onder andere de omvang van het noodzakelijke feitenonderzoek en het feitencomplex, de omvang van het verweer, het aantal proceshandelingen en de omvang van het ingediende bewijs. Het lijkt hierbij dus niet zozeer te gaan om de technische complexiteit. De uiteindelijke kwalificatie van een zaak zal neerkomen op de weging en interpretatie van de genoemde factoren, en wellicht ook andere factoren die in de rechtspraak zullen worden ontwikkeld. De verwachting is dan ook dat het onderwerp van kosten in octrooizaken voortaan uitgebreider aan de orde zal komen. In het Besluit van de Rechtspraak is vastgelegd dat bedragen boven het maximale indicatietarief van de toepasselijke categorie alleen in bijzondere gevallen zullen worden toegewezen. Met name de vraag wanneer sprake is van een ‘bijzonder geval’ waarin een volledige kostenveroordeling is gerechtvaardigd, zal zich in de loop der tijd moeten uitkristalliseren. In ieder geval lijkt de kans klein dat we de relatief hoge bedragen van driehonderdduizend euro of meer nog vaak terug zullen zien, terwijl die in het verleden toch niet zelden werden toegewezen.
De eerste reacties op de ingevoerde indicatietarieven zijn wisselend en de meningen over de voordelen van indicatietarieven in octrooizaken zijn verdeeld. Enerzijds wordt aangenomen dat de indicatietarieven in octrooizaken bescherming zullen bieden aan het MKB. Het risico op een hoge kostenveroordeling zou veel MKB’ers ervan weerhouden naar de rechter te stappen, en de indicatietarieven kunnen het financiële risico voor partijen met minder diepe zakken verkleinen. Anderzijds wordt ook wel gezegd dat het MKB juist was geholpen met toewijzing van de volledige proceskosten, omdat daardoor voor de kleine octrooihouder die een procedure wint in het meest positieve geval juist ook alle eigen werkelijk gemaakte kosten konden worden gedekt.
Ook zijn omstandigheden denkbaar waarin de indicatietarieven ontoereikend zijn in vergelijking met de daadwerkelijk (en noodzakelijkerwijs) gemaakte kosten. Het is de vraag of de rechter in die gevallen de ruimte zal nemen om zodanig van de indicatietarieven af te wijken dat recht wordt gedaan aan de omstandigheden van het geval. Time will tell.





